Van Culte Tot Quilt

of de ontwikkeling van de Nederlandse doorgestikte deken en lappendeken.

Reeds duizenden jaren heeft de mens de kennis uitgebuit om zo warm mogelijk materiaal te maken om zich zo goed mogelijk te isoleren tegen kou. Dat deed hij op vele manier, zoals het gebruik van dieren huiden, vilten van wol en het maken van een driedubbele laag waarvan de middelste een warme vulling is. Om schuiven van die vulling te voorkomen werd dit geheel doorgestikt met eenvoudige steken. Er werd doorgestikt [nu quilten genoemd] voor dekens, kleding en matrassen, maar ook voor kleding ter bescherming van het lichaam tegen oorlogstuig.

Vanuit India is er via de zijderoute en handel, ten tijde van de Romeinen, gequilt materiaal meegebracht, en ook in het oude Egypte was de techniek bekend. Het woord quilten stamt af van het Latijnse culcita of culcitra, een woord dat gebruikt werd voor een matras. In de Middeleeuwen kwam in de Nederlanden het woord culte of cuelte, [oudste bron 1230] in gebruik voor doorgestikt materiaal. Er bestonden gilden van Cultestickers, zoals in de 14de eeuw in Brugge.

Na de Reformatie is het woord culte verdwenen en duidde de quilt een gestikte deken aan. In diverse boedelinventarissen vinden we deze benamingen voor quilts: bijv. “eene sijde gestickte deecken met frenge” in de 17de eeuw. Meestal waren de vroegste dekens van zijde gemaakt met een wollen vulling.

Met de handel van de Verenigde Oostindische Compagnie [VOC] kwam er nieuw materiaal in de vorm van handbeschilderde Indiase chintz of sits naar ons land. Deze katoen werd razend populair, omdat het de eerste gefigureerde, bontgekleurde, exotische stof was, die bovendien wasbaar was. Zelfs werden er opdrachten gegeven voor de aanvoer van kant en klare doorgestikte dekens, in de Eijsen van Retour “gecattoeneerde of gewatte deeckens” genoemd. Volop zijn ze dan te vinden in de Nederlandse huishoudens van de gegoede burgers vanaf de eerste grote import omstreeks 1664 tot aan het einde van de 18de eeuw. Zelfs in de boedelinventarissen van de eerst Hollanders die zich op Manhattan gevestigd hadden [17de eeuw] zijn regelmatig doorgestikte voorwerpen te vinden, zoals bijvoorbeeld een deken, en een kamerjas.

Door de ontwikkeling van de katoendruk in Holland [als eerste land in 1612 in West Europa] krijgen we een concurrentie vanuit het eigen land wat betreft de productie en gebruik van sits in mode en doorgestikte dekens. Het grote aanbod van katoen en het hebben van resten van deze stof, heeft geleid tot het maken van lapjeswerk, of patchwork. De oudste gedateerde lappendekens van ons land zijn gemaakt in de laatste kwart van de 18de eeuw. Deze dekens konden al dan niet doorgestikt zijn, en dus wel of geen tussenvulling hebben.

Het eerste en oudste Hollandse lapjeswerk bestaat vooral uit driehoeken, vaak in contrast licht-donker, tegenover elkaar geplaatst. Soms in blokken van 4 driehoeken en soms in blokken van slechts 2, en met dit licht donker effect werd gespeeld. Het hoogtepunt van de Nederlandse patchwork quilt ligt vooral tussen 1775 en 1860. In deze periode zijn de meeste quilts gemaakt. Dit in tegenstelling tot de USA, waar deze ontwikkeling vooral 19de en 20ste eeuws was.

An Moonen, april 2004
t.b.v.
Museum Panorama Mesdag, Den Haag